IFIP TC 8 Conference on Big Data Information Systems

Big_Data_Information_System_-_TC8_ 2015_1st_CfP_A4-size

Advertisements

Vade Retro Industrieel Ingenieur !

Nog voor deze zomer heeft de Vlaamse regering beslist om het inrichten van de tweejarige masters in een groot aantal opleidingen, waaronder deze van industriële wetenschappen (industrieel ingenieur) af te keuren.  De rectoren van de Vlaamse universiteiten reageerden teleurgesteld op deze beslissing. Dit is valt te begrijpen. Het is immers al langer dan vandaag dat deze transformatie bezig is. De VLHORA en VLIR heeft bijna vier jaar gewerkt aan de voorbereiding die aan het indienen van het dossier voorafgingen. Ook in de hogescholen werd er heel wat voorbereidend werk geleverd. We leven in tijden van besparingen, dat is juist, maar dit had men toch moeten weten!

Voor de industrieel ingenieurs geldt het goede nieuws enkel op korte termijn. Immers de studie is gemiddeld flink korter dan de meeste masteropleidingen in Vlaanderen (en in Europa). Een minimale standaard lijkt toch wel 3+2 te zijn. Op lange termijn zal dit kortere traject (3+1)  bij velen echter de wenkbrauwen doen fronsen. Een recente studiereis naar Ierland met studenten industrieel ingenieur lokte bij een aantal lokale docenten de opmerking uit dat Vlaamse industrieel ingenieurs wellicht geniën moesten zijn indien zij allemaal een volwaardige masteropleiding in vier jaar tijd aankonden. Was de ultieme doelstelling van het Bologna-akkoord uit 1999 immers niet de gelijkschakeling van alle masteropleidingen in een ééngemaakt Europa? Wat moeten onze toekomstige (en huidige) industrieel ingenieurs nu aanvangen met hun halfslachtige master? We werken immers meer en meer in een internationale context en dergelijke zaken vallen uiteraard sterk op.

Ook het VIK en in haar kielzog de industrie, blijft in de kou staan met hun vraag om meer stageruimte te voorzien in de opleiding. Immers  binnen de huidige structuur waar er dan wel gezorgd is voor een academisering van de opleiding is er evenwel geen plaats voor stage. Spijtig. Deze beslissing is een ernstige stap terug in de waardering van het diploma van industrieel ingenieur. Zowel voor de praktijk als voor de academische gerichtheid. Sinds een aantal jaren was een industriële vakantiestage al bijna volledig verloren gegaan in de opleiding. Een kans om dit terug te herwaarderen is dus verkeken. Industrieel ingenieurs worden nu opgeleid zonder enige kennismaking met het bedrijfsleven tijdens hun studie. Voor een professioneel beroep lijkt mij dit toch een aberratie. Was een vaak gehoord argument bovendien niet dat industrieel ingenieurs meer voeling hadden met de praktijk? Advocaten, architecten, geneesheren, leerkrachten,  … allemaal worden ze tijdens hun opleiding met hun respectievelijk werkveld in contact gebracht. Industrieel ingenieurs dus niet. Ook op academisch vlak lijkt er iets te schorten. De opleiding in de industriële wetenschappen behoort dus geacademiseerd te zijn. Industrieel ingenieurs moeten na hun opleiding vlot een PhD kunnen starten, althans zij die dit aankunnen. Nu zullen de besten wel overal hun mannetje staan en wellicht slagen in een dergelijke onderneming. Maar wij kunnen ons de vraag stellen waar precies de nodige voorbereidingen gelegd worden in de vierjarige opleiding voor een academische carrière? Van het zogenaamde toegepaste wetenschappelijk onderzoek is er om begrijpelijke redenen niets van terecht gekomen. Immers wat is dat ‘toegepast wetenschappelijk onderzoek’? Niemand heeft ooit ernstige pogingen ondernomen om dit te definiëren. Probeer dit concept bovendien maar eens aan een internationale academische gemeenschap uit te leggen. Iedereen die relevant wetenschappelijk onderzoek wenst voor te brengen moet zich onderwerpen aan de criteria die voor zijn discipline gangbaar zijn en die zijn (gelukkig) gelijk voor iedereen. Toegepast of niet.

De huidige opleiding is daardoor momenteel een dunne doorslag geworden van de opleiding burgerlijk ingenieur. Van alles wat minder. Er zijn weinig accenten gelegd die de naam van de opleiding enige eer aandoen. Integendeel. Een aantal hogescholen gaan er zelfs prat op dat ze gebuisde burgerlijk ingenieurs netjes kunnen opvangen binnen hun structuur. In plaats van een duidelijke profilering naast deze van burgerlijk ingenieur is er een tweede klasse ingenieurs ontstaan. Eigenlijk is dit een verderzetting van de bestaande situatie. Voor de toekomstige industrieel ingenieurs is dit een ernstige stap achteruit. Hun bestaande opleiding is geenszins geprofileerd en bovendien is hun toekomst ernstig gehypothekeerd.  Bovendien moeten ze nu nog meer de hoon trotseren van de studenten en docenten burgerlijk ingenieur die (terecht) hun opleiding beschermen en de daarbij horende eigenheid niet wensen aangetast te zien door een onvoorwaardelijke opname van deze grote groep van studenten industriële wetenschappen. Wie wordt daar nu beter van?

jan devos

CONFENIS 2012 – Call for participation

call for participation

Quo Vadis Industrieel Ingenieur? – deel II

Vanaf september 2013 zullen alle diploma’s van industrieel ingenieur via een universiteit uitgereikt worden. Het diploma wordt trouwens omgevormd tot master in de Industriële Wetenschappen, hoewel de titel van industrieel ingenieur behouden blijft voor alle toekomstige afstuderende.  Dit is een late implementatiestap van het Bologna-akkoord van 1999 waarbij het Europa van de kennis werd gecreëerd.

De doelstellingen van deze transitie zijn wellicht nobel hoewel we ons toch een aantal vragen kunnen stellen bij de praktische invulling ervan. De voorbereiding van dit proces werd in Vlaanderen gerealiseerd via de universitaire associaties waarbij deze van de UGent en van de KU Leuven de hoofdrol speelden. Beiden hebben echter gekozen voor een verschillend scenario. In Leuven werden de opleidingen industrieel ingenieur in een aparte (en nieuwe) faculteit ondergebracht. In Gent gaan de industrieel ingenieurs ‘integreren’ met de burgerlijk ingenieurs. Als docent in een hogeschool heb ik dit integratieproces op de voet kunnen volgen. Wat daarbij op te merken valt is dat men zeer voorzichtig is geweest om de beide profielen niet te vermengen. Toch zijn de rationele criteria die hiervoor gehanteerd worden grotendeels afwezig. Er zijn daarbij zowel afstotende als aantrekkende krachten aanwezig die uiteraard diametraal tegenover elkaar staan.  De associatie van de KU Leuven heeft het integratieprobleem wellicht het meest efficiënt opgelost door niet te integreren. UGent koos voor een moeilijker traject.

Wat staat er uiteindelijk op het spel?

In eerste instantie is er natuurlijk de vrij grote beroepsgroep van industrieel ingenieurs die op onze KMO-markt zeer goed gedijt. Het profiel is maar al te goed gekend bij de bedrijven die hiermee vaak goedkoper een professioneel profiel kunnen aantrekken in tegenstelling tot burgerlijk ingenieurs. In een ronde tafelgesprek gaf een grote industriële groep uit Vlaanderen te kennen dat industrieel ingenieurs bij aanwerving een zelfde loon als professionele bachelors ontvangen om pas na een aantal jaren ingeschakeld te worden in de loonschalen die gangbaar zijn voor universitaire werknemers.  Zijn industrieel ingenieurs dan minderwaardig dan burgerlijk ingenieurs? Niemand die dit met zoveel woorden (althans niet op een officiële vergadering) gezegd wil hebben, maar de feiten liegen niet. De industrie is in dit integratieproces slechts een passieve observator. Wat de industrie eigenlijk wil is niet zo duidelijk. In ieder geval is men geen vragende partij voor een vijfjarige opleiding. Dat was immers een van de onderscheidende factoren tussen industrieel en burgerlijk ingenieurs. Recentelijk werd de overgang naar een vijfjarige opleiding aangevraagd door de universiteiten maar dit werd door de minister niet geaccepteerd om budgettaire reden. De opleiding blijft dus voorlopig een vierjarige. De vijfjarige opleiding was nochtans het argument om internationaal uit te pakken met een echte masteropleiding.

Er staat echter veel meer op het spel voor de universiteiten dan voor de industrie. De universiteiten hebben grotendeels de hand gehad in de aanloop naar de inkanteling van de industrieel ingenieur aan de universiteit. Daarbij werd een louter academische kaart getrokken. Industrieel ingenieurs moesten ‘academiseren’. Wat dit precies betekent werd nooit uitgelegd, maar dit werd wel gaandeweg duidelijk. Er moest meer academisch onderzoek gedaan worden aan de hogescholen, hetgeen ten goede zou komen aan de opleidingen. Of dit de opleiding ten goede is gekomen is mij nog niet zo duidelijk, maar ieder geval past deze beweging wel in de academische drift waaraan momenteel elke universiteit (wereldwijd!) ten prooi is gevallen. Universitaire docenten moeten vandaag hun output kunnen aantonen en dit worden voornamelijk gemeten aan de hand van het aantal academische publicaties die kunnen voorgelegd worden. Elke hulp daarbij is welkom. Daar waar er vroeger eerst grondig onderzoek werd gedaan en daarna publicaties verschenen, wordt de kar nu voor het paard gespannen. Eerst komen de publicaties, want die zijn van cruciaal belang. Dit is  eigenlijk een surrogaatmeter maar dit verhaal is voor een andere blog. Het resultaat van dit alles is dat de hogescholen nog steeds niet weten hoe het nu verder moet met de opleiding zelf. Immers de publicaties zijn in eerste instantie belangrijk voor het universitaire docerend korps en niet zozeer voor de student. Bovendien is de meerderheid van het korps aan de hogescholen nog steeds niet geacademiseerd (lees: beschikt niet over een doctoraat) zodat alles eigenlijk grotendeels hetzelfde blijft.

De eerste pogingen om een soort profilering te geven aan de opleiding van industrieel ingenieur vonden in de eerste helft van dit jaar plaats. Daaruit bleek alvast hoe verschillend er gereageerd werd en hoe ver de standpunten uiteen liggen. Zelfs tussen de hogescholen is er doorheen de jaren een unieke onderlinge profilering ontstaan die niet zonder slag of stoot zal weggewerkt zijn. Vanuit de universiteiten wordt er getracht uniformiteit te krijgen in de eerste jaren van de opleiding. Daar zit er volgens mij al een gemiste kans. In plaats van een grondig debat over de profilering van opleidingen te organiseren werd er gekozen voor een burgerlijk ingenieur ‘light’. Dit lijkt de conservatiefste optie te zijn en een compromis. Voor een aantal hogescholen komt dit goed uit niet in geringe mate voor de imago-uitstraling naar de buitenwereld. Burgerlijk ingenieurs genieten een zeer groot maatschappelijk prestige. Dit wordt hun stiekem benijd en enige imitatie is dan nooit veraf natuurlijk. Anderzijds zijn burgerlijk ingenieurs ook zeer zuinig op hun titel. Dit wordt dus een symbolenstrijd.

Uitpakken met het feit dat industrieel ingenieurs een zelfde opleiding genieten als burgerlijk ingenieurs maar van alles een beetje minder is mijns inziens nefast voor de industrieel ingenieur.  Ik denk dat het profiel het verdient om een betere invulling te krijgen naast dit van burgerlijk ingenieur. De mogelijkheden zijn echt groot, maar daarvoor is een innovatieve houding noodzakelijk en moeten universiteiten en hogescholen stoppen met aan navelstaarderij te doen en leren over de muren van hun instituten te kijken.

De opleiding industrieel ingenieur is door het academiseringsproces een wees geworden en moet geadopteerd worden. De vraag is of de stiefouders hun stiefkind met open armen zullen ontvangen.

jan

CfP: Grand Successes and Failures in IT: Private and Public Sectors

Grand Successes and Failures in IT: Private and Public Sectors
Bangalore (India) 27th – 29th June, 2013

CALL FOR PAPERS
(Conference web-site: http://ifip86.iimb.ernet.in/)

General Chair: David Wastell, Nottingham University, UK
Program Co-chairs: Yogesh K. Dwivedi, Swansea University, UK
Helle Zinner Henriksen, Copenhagen Business School, Denmark
Organising Chair: Rahul De’, Indian Institute of Management Bangalore (IIMB), India
PhD Consortium Chair: Jan Pries-Heje, Roskilde University, Denmark.

Key-note Speaker: Geoff Walsham, Emeritus Professor, Judge Institute, Cambridge University

Despite decades of research and the accumulation of a substantial knowledge-base, the failure rate of information systems initiatives continues unabated. The recent abandonment of a multi-billion dollar project to computerize health records in the UK provides just one spectacular example. Why is this so? Is the fault one of theory and inadequate understanding? Or is
the problem one of knowledge transfer, the failure to embed research knowledge in the working practices of managers and policy-makers. The aim of this conference is to move forward our understanding of the success and failure of technology-based innovation and on the factors influencing the uptake of research knowledge in the practitioner community. Perhaps our theoretical base is too narrow. It is arguable that some theories, such as diffusion theory and the ubiquitous TAM, have been over-represented in our work. Or maybe we have become too infatuated with theory, making our work inaccessible to practice? Papers addressing theory in a critical way are therefore very welcome, presenting and illustrating alternative conceptual lenses and standpoints. Whilst grand successes and failures are important, papers addressing smaller initiatives will be just as welcome; indeed, perhaps there is much to be learned from considering questions of scale. Extending the variety of research methodologies is another area where innovation could assist progress. Finally, there are organisational and sectoral contexts that have also been relatively neglected. The bulk of our work has concentrated on commercial enterprises, yet the degree of contemporary IT-enabled change in the non-profit sectors is at least as great, and the challenges arguably stiffer. Based on these general areas, some indicative themes might include:

– Theoretical alternatives to diffusion theory: institutional theory, actor-network theory, contextualism, critical theory, complexity theory etc.

– Empirical studies of “evidence-based management” , highlighting barriers and facilitators to the adoption of IS theory.
– Studies of emergent risk factors in high complexity projects, such as inter-organizational systems
– The influence of organisational culture and climate on innovation uptake, including the interaction between multiple organisational contexts
– Developments in diffusion theory to address organisational innovation as opposed to individual adoption decisions
– Ethnographical studies of change, and other intensive longitudinal investigations (e.g. historical studies)
– Studies using mixed method approaches
– Action research investigations emphasising partnership with practice, including the pitfalls of such joint endeavours
– E-government and public sector reform, emphasizing the role of IT as an enabler and the specific features of innovation in this domain
– Exploring novel intra-organisational contexts, such as non-mandated innovation at middle management tiers & the front line (e.g. skunk works)
– Success and failures of IS in the development context

Types of submission
Papers addressing any aspect of the conference theme will be welcome but this does not preclude general submissions that are relevant to the work of the Working Group. As well as full length research papers presenting mature investigations (approx. 7000 words), we would also welcome shorter position papers (1500 words max.) of a more polemical nature.
Bridging the gap with practice is an important aim of WG8.6. Practice reports (3000) from practitioners will thus be particularly welcome (e.g. case studies). Panel proposals and posters may also be submitted. The former should outline the aims of the Panel with details of participants; for posters, a short abstract (300 words) should be provided.

Publication
All accepted papers will be published in book form in Springer’s Journal series: IFIP Advances in Information and Communication Technology. We also have agreement with the Journal of Strategic Information Systems (JSIS) to have selected papers reviewed for further development and possible publication in the Journal. Papers will be selected and developed in collaboration with the Editors of the Journal. Those that are ultimately accepted will appear together as a mini “Special Issue”. Papers selected will be in terms of their strategic focus and potential impact on research and practice, and for acceptance will need to meet the Journal’s normal high acceptance criteria.

Doctoral Consortium
The conference will be preceded by one day doctoral consortium, to be chaired by Professor Jan Pries-Heje (Roskilde University, Denmark). This is intended for researchers undertaking a PhD or Professional Doctorate in areas broadly aligned with the main themes of the conference. Researchers may present work at any stage of their studies. The consortium aims to provide: an opportunity for small group in-depth discussions, supervised by senior IS faculty; appreciation of work in progress of other doctoral researchers; identification of cognate research related to participants’ interests. Candidates are invited to submit a 500 – 1000 word abstract summarizing the aims, method and relevancy of their work, together with a brief overview of results if appropriate.
Important Dates
Paper submission deadline: 5 November 2012
Acceptance notification: 7 January 2013
Final camera-ready copy: 28 February 2013
Early-registration: 30 January 2013
Conference: 27-29 June 2013
Further details of submission procedures, will be published on the conference web-site in due course.

The Venue
The conference will be held at the prestigious Indian Institute of Management Bangalore, India. Bangalore is now known as the Silicon Valley of India because of its position as the nation’s leading IT exporter. Bangalore lies in the southeast of the South Indian state of Karnataka; it is a major economic and cultural hub and the fastest growing major metropolis in India. Bangalore is home to many of the most well-recognized colleges and research institutions in India. Numerous public sector organizations, software companies, aerospace, telecommunications, and defence companies are located in the city. Due to its high elevation, Bangalore usually enjoys a moderate climate throughout the year.
Further information about host institution can be obtained from http://www.iimb.ernet.in/about-institute

Programme Committee
Dolphy Abraham (Alliance University, India)
Md. Mahfuz Ashraf (University of Dhaka, Bangladesh)
Jeff Baker (American University of Sharjah, UAE)
Deborah Bunker (University of Sydney, Australia)
Lemuria Carter (North Carolina A & T State University, USA)
Hsin Chen (University of Bedfordshire, UK)
Ioanna Constantiou (Copenhagen Business School, Denmark)
Jan Damsgaard (Copenhagen Business School, Denmark)
Jan Devos (University College West-Flanders, Belgium)
Bob Galliers (Bentley University, USA)
Roya Gholami (Aston Business School, UK)
Babita Gupta (California State University, Monterey Bay, USA)
Arul Chib (Nanyang Technological University, Singapore)
Andreas Eckhardt (Goethe University Frankfurt, Germany)
Åke Grönlund (Örebro University, Sweden)
M.P. Gupta (Indian Institute of Technology Delhi, India)
G Harindranath (Royal Holloway, UK)
Richard Heeks (Manchester University, UK)
Alfonso Durán Heras (Universidad Carlos III de Madrid, Spain)
Vikas Jain (University of Tampa, USA)
Marijn Janssen (Delft University of Technology, The Netherlands)
Anand Jeyaraj (Wright State University, USA)
Atreyi Kankanhalli (National University of Singapore, Singapore)
Karlheinz Kautz (Copenhagen Business School, Denmark)
Tor J. Larsen (Norwegian School of Management, Norway)
Sven Laumer (University of Bamberg, Germany)
Gonzalo Leon (Universidad Politécnica de Madrid, Spain)
Linda Levine (Independent Researcher Consultant & University of Sydney, Australia)
Kalle Lyytinen (Case Western Reserve University)
Lars Mathiassen (Georgia State University, USA)
Ulf Melin (Linkoping University, Sweden)
Amit Mitra (University of the West of England, UK)
Michael D. Myers (University of Auckland Business School, New Zealand)
Mike Newman (University of Manchester, UK)
Peter Axel Nielsen (Aalborg University, Denmark)
Anastasia Papazafeiropoulou (Brunel University, UK)
Jan Pries-Heje (Roskilde University, Denmark)
Andrew Schwarz (Louisiana State University, USA)
Mahmud Akhter Shareef (North South Universitty, Bangladesh)
Mohini Singh (RMIT, Australia)
Shirish Srivastava (HEC Paris, France)
Carsten Sorensen (London School of Economics, UK)
Heidi Tscherning (ESADE Business School, Spain)
Jason Thatcher (Clemson University, USA)
Nils Urbach (EBS Business School, Germany)
David Wainwright (Northumbria University, UK)
Vishanth Weerakkody (Brunel University, UK)
Michael D. Williams (Swansea University, UK)

Help, are we still relevant?

Academics tend to conduct theoretical work in order to be able to collect relevant knowledge. The acquired knowledge should be used to design artefact’s or to predict, explain and explore phenomenon’s in our field of information systems and thereby striving to make it a better world to phrase G. Walsham (Walsham 2012). However IS researchers often struggle with the relevance of their work. The academic discipline of information systems is indeed very young, at most 40 years and has its roots in engineering sciences like electronics, mechanics and applied physics. Its first appearance was under the umbrella of computer science. Only the last 30 years and mostly in the States, IS research has a focus on more on behavioral aspects of the discipline thereby heavily leaning on theoretical constructs coming from other scientific disciplines like sociology, anthropology, psychology, and organizational science. This has created a sort of a schism with the more traditional scientists drenched in a positivist tradition of the natural sciences. This is noticeable in education where we can see that most IT programs bring professionals on the market with mostly hard engineering (programming, system-building) skills but all too often with a lack of a deep and critical insight of what information systems can mean or not mean in organizations. The relation with the stakeholders of information systems is less studied at our universities. The creation and the use of the systems are too much separated. Too my humble opinion IS researcher are doing a great job in trying to make information systems understandable by applying a multitude of epistemological perspectives. Still their work is not well understood or even read by the practical kernel of discipline, the so-called IT practitioners.

A recent survey send to IT practitioners was astonishing. We asked to IT practitioners if they were familiar with the academic literature on IS research. We got 153 responses spread over small, medium-sized and large enterprises. Of all responses only 34% said they read academic journals on information systems. This means that 2/3 of all respondents do not read an academic journal at all! Even more amazing is that from the basket of top IS journals(*) not a single title is known for more than 15% of the practitioners. Best know is the Journal of Information Technology (15%), least known is the Journal of the AIS (5%).

A more elaborate paper will be developed on the results of this survey together with interviews with CIOs, but we can already conclude that there is at least a problem with the dissemination of academic output in the field of Information Systems. Maybe there is even a problem with the relevance of our work!

jan

 

(*) The basket of top IS journals consist of: MIS Quarterly, Information Systems Research, European Journal of Information Systems, Information Systems Journal, Journal of AIS, Lournal of MIS, Journal of IT, Journal of Strategic Information Systems (see: www.aisnet.org)

Walsham, G. (2012) ‘Are we making a better world with ICTs? Reflections on a future agenda for the IS field’, Journal of Information Technology, 27(2), 87-93.

 

 

 

%d bloggers like this: