2013 in review

The WordPress.com stats helper monkeys prepared a 2013 annual report for this blog.

Here’s an excerpt:

A New York City subway train holds 1,200 people. This blog was viewed about 4,400 times in 2013. If it were a NYC subway train, it would take about 4 trips to carry that many people.

Click here to see the complete report.

Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt… Geen Informatica meer in het middelbaaronderwijs?

seguridad-informatica1-300x225

De koepel van het katholieke onderwijs heeft beslist; geen vak informatica meer in het middelbaar onderwijs. Althans niet meer in het TSO en BSO, wel nog in het ASO.  Het vak moet meer aan bod komen in de andere lessen is de motivatie.

Voor mij als docent informatica die het vak Inleiding tot de Informatica aan het eerste bachelorjaar industriële wetenschappen doceer, komt dit niet echt als een complete verrassing.  De argumentatie dat het vak moet aan bod komen in de andere lessen valt te verdedigen maar wijst eerder op een totaal ander probleem.  Een probleem dat helaas structureel is in ons onderwijs. Ons onderwijs kampt immers met een groot gebrek innovatiegerichtheid en te sterke aversie tot veranderen. Ik wil hier zeker niet de uitzonderingen vergeten te vermelden die deze regel alleen maar bevestigen. Neem even een kijkje op Edushock (www.edushock.be) en je zult het wel met me eens zijn. Toch blijft het merkwaardig dat de bereidheid tot veranderen en innovatie vooral buiten het onderwijsveld ontstaat. Informatica heeft nooit een verdiende plaats gekregen in het middelblaaronderwijs. Waarom niet? Hiervoor zijn redenen te veel om op te sommen: nog niet volwassen, te sterk aan veranderingen onderhevig, niet wiskundig genoeg, te moeilijk, te kort aan universitaire opgeleide docenten, geen plaats binnen het bestaande uurrooster… Allemaal redenen die rechtstreeks vanuit de buik van de onderwijswereld komen en haaks tegenover de realiteit van informatica in de ‘echte’ wereld staan. Er werd zolang getalmd met al dan niet doceren van informatica dat men dan maar beslist om het gewoon te schrappen. Informatica is gereduceerd tot een instrument.

De bal die de informaticaleerkrachten, die dus eigenlijk amper hebben bestaan, doorspelen naar hun collega’s lijkt niet de beste oplossing te zijn hoe goed ze ook bedoeld is, om verschillende redenen. Een eerste is alvast of de ‘andere’ leerkrachten wel bereid zullen zijn om informaticagebruik te verweven binnen hun vakgebied, gesteld dat ze deze vaardigheid zelf beheersen. Ook nu al is het verschil in informatica-gerichtheid van leerkrachten bijzonder groot. Niets is immers gegarandeerd en veel is te afhankelijk van de persoonlijke goodwill en inzet van een leerkracht die het goed meent. Sommigen vertikken het zelfs om gebruik van informatica in te voeren in hun lessen, met nefaste gevolgen voor de motivatie niet in laatste instantie deze van de leerlingen. Stel dat we de ‘andere’ leerkrachten toch zover krijgen, zullen onze leerlingen dan beter kunnen omgaan met diverse tekenpakketten, rekenbladen,  fotografische toepassingen, presentatietoepassingen edm? Ik denk het niet. Daarvoor zijn er te grote verschillen in wat nu precies allemaal moet gekend zijn om een goed getrainde informatica-gebruiker te zijn. De informatica-industrie met zijn gigantische marketingbudgetten speelt daar heel handig op in en fnuikt hiermee initiatieven zoals Open Source Software collectieven die in het middelbaar onderwijs maar niet aan bod komen.

De Europese vereniging CEPIS heeft zich over de kennis van informaticagebruik nochtans al gebogen en daarvoor de Europese Computer Drivers License (ECDL) in het leven geroepen (www.bfia.be/ecdl.html).  Met wisselend succes overigens. In België helemaal geen succes, in vele andere landen (Duitsland, Zwitserland, VK) een zeer groot succes.  Een ééngemaakt Europees onderwijssysteem is blijkbaar nog ver zoek.

Toch zou de ECDL de oplossing voor het probleem kunnen zijn, uiteraard enkel voor het gebruik van informatica. Leerlingen krijgen een aantal lespakketten te beschikking waarin ze zelf en op eigen tempo hun vaardigheden op gebied van informatica aanscherpen. Alles valt te vergelijken met het behalen van autorijbewijs. Standaard en los van enige merk of product maar wel zeer doelgericht. Daarvoor is de ECDL samengesteld door specialisten ter zake. Terloops gezegd, de vereiste basisbehendigheid met informatica lijkt mij noodzakelijk voor alle leerlingen, niet enkel deze in het TSO en het BSO. In mijn ervaring zijn het trouwens de leerlingen uit de laatste richtingen die hun collega’s uit het ASO overklassen met het beheersen van informaticatoepassingen. Gebruik van informatica kan toch bekeken worden als iets voor techneuten?

En voor diegene die mochten twijfelen aan het feit dat het gebruik van informatica te wensen overlaat verwijs ik graag naar een studie van het CEPIS dat heeft aangetoond dat het vaak bijzonder triestig gesteld is met de basisbehendigheid van informatica.  (www.ecdl.be/fileadmin/user_upload/Documents/Control_Alt_Delete_Study_ECDL-F_Press.pdf)

Men spreekt in die zin over de ‘Cost of IT Ignorance’.  Vele leerlingen denken immers te snel te weten hoe ze met een toepassing moeten werken, maar slagen er vaak niet om echt rendementsvol werk af te leveren. Rekenbladen worden amper gebruikt (en indien wel dan bevatten ze heel wat fouten), van tekstverwerkers kent men enkel wat er aan knopjes gepresenteerd wordt op het standaardscherm en in presentatieprogramma’s beperkt het gebruik zich tot een voorgekauwd sjabloon.  Bedrijven en organisaties zien zich dus geconfronteerd met de Cost of IT Ignorance.

Een meer fundamentelere vraag die zich hier aandient en die verder gaat dan het gebruik van informatica, gaat er over of informatica een voldoende wetenschappelijke basisdiscipline is die aan leerlingen moet gedoceerd worden. Blijkbaar niet want informatica kan blijkbaar niet wedijveren met fysica, scheikunde, biologie, en wiskunde. Informatica is van origine een toegepaste wetenschap, die vaak geclaimd wordt door verschillende andere, meer basisdisciplines. Zelfs de sociologie, de economie en de psychologie hebben informatica adopteert. Bekijken we de informatica vanuit een strikt positivistische wetenschapsbril dan vallen we terug op de computerwetenschappen, die zich nog verder vertakken en beroepen op de basispijlers van de ingenieurswetenschappen (elektromagnetisme, elektronica, vaste stof fysica, kwantummechanica, logica, discrete wiskunde, ….). Op academisch niveau moest er heel wat baanbrekend werk worden verricht om de computerwetenschappen een plaats te geven tussen de positieve wetenschappen.  Toen de K.U.Leuven als eerste universiteit in België in de jaren 70 van vorige eeuw de richting burgerlijk ingenieur in de computerwetenschappen oprichtte, kon dit enkel maar indien ook alle andere ingenieursvakken werden gedoceerd en dan nog werd enkel een wetenschappelijk diploma toegekend en geen wettelijk. Dit maakte destijds deze richting de moeilijkste van alle ingenieursrichtingen. Als informaticus zou ik uiteraard durven de computerwetenschappen in het middelbare onderwijs als een basisdiscipline stellen naast biologie en chemie. De fysica (of toch delen daarvan) kan dan misschien  meteen opgenomen worden in dit nieuwe basisvak.

Nog een ander perspectief is dat van impact van informatica op onze persoonlijke en maatschappelijk evolutie. We leven in een digitaal tijdperk waarin de toepassingen van informatica ons dagelijks functioneren beheersen en veranderen. Of we nu willen of niet: Facebook, Twitter, YouTube, e-mail, Gaming, Google Earth, chatten, …. ze zijn er en ze zullen niet meer verdwijnen. Integendeel dagelijks ontstaan er nieuwe collectieven en toepassingen die gebruik van informatica een nieuwe maatschappelijke functie geven (denk aan fenomenen zoals het Internet-of-Things, BYOD, Big Data, …). Moeten we onze leerlingen niet daarop wijzen, er duiding bij geven en vooral ruimte tot experimenteren? Nu we geschiedenis en aardrijkskunde van het programma dreigen te schrappen zit er misschien hier een innovatieve mogelijkheid in om deze wetenschappen een nieuw elan te geven. Ook esthetische vorming met behulp van digitale kunst zou een revival kunnen impliceren voor de teloorgang van de aandacht voor de (klassieke) kunsten. Er werden nog nooit meer museumbezoeken genoteerd sinds de musea online zijn gegaan!  Een ook ethiek en wetgeving zouden door informatica heel aantoonbaar kunnen gemaakt worden. We hebben het dagelijks over computercriminaliteit en inbreuken op onze persoonlijke levenssfeer. Waarom kan dit niet op school tot de leerstof behoren?

Al bij al een pleidooi om informatica een plaats te geven dat het verdient. Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt.

jan devos

Industrieel Ingenieur, je mikt toch wel op de industrie?

Paradox! Nog nooit is de vraag naar (industrieel) ingenieurs zo groot geweest en toch is de toekomst van de industrieel ingenieur is in gevaar.  De industrieel ingenieurs gaan naar de universiteit en daar zijn ze stiekem toch wel trots op. Meer aanzien, meer prestige, allemaal zogezegd niet essentieel, maar Antoine de Saint-Exupéry[1] wist wel beter toen hij stelde dat men enkel met het hart goed kan zien en dat het essentiële onzichtbaar is voor de ogen. Wat is nu essentieel en eventueel onzichtbaar? De vraag stellen is ze beantwoorden. We doen dus een poging.

Essentieel is zeker dat ons industrieel weefsel waarop onze welvaart steunt, grotendeels aan het afkalven is. Het Ford-debacle van een goede maand geleden, daarvoor nog de sluiting van GM in Antwerpen en recent nog de aankondiging dat wellicht één op zes KMO’s volgend jaar in ons land failliet dreigen te gaan moet ons toch doen nadenken? Het zijn niet enkel de loonkosten of de lokroep van het oosten die dit veroorzaken. De oorzaken moeten we hier in onze contreien en vooral bij onszelf zoeken. Niet echt comfortabel om in eigen boezem te kijken. De essentie is dat we terug onze laarzen moeten aantrekken en in de modder moeten gaan staan. Onze handen durven vuil maken! Dit betekent concreet daar staan waar de dingen plaats vinden en waar in stilte en met weinig dure woorden welvaart gecreëerd wordt.  Dit zijn de bedrijven waar de bouwstenen voor onze gemeenschap dag op dag worden aangemaakt. Vooral in KMO’s waar er misschien weinig strategische visie is, behalve dan dat elk resultaat een inspanning vereist. Op zich een strategisch advies dat kan tellen.

Recentelijk zat ik in een vergadering waar een jonge docent, industrieel ingenieur met doctoraat, een aantal uitspraken deed die alleen maar konden vermoeden dat de man in kwestie de realiteit van een privaat bedrijf niet begreep. Ondernemerschap en projectleiding werden daarbij door elkaar gehaald, management en leidinggeven serieus verward en privaat initiatief werd als een gelijke van het functioneren van de overheid beschouwd. Ik vroeg mij af welke ‘waarheid’ de man zijn studenten vertelt? Dat overheidsgeld besteden in projecten gelijk is aan geld verdienen en opnieuw investeren? Dat innovatie enkel aan een hogeschool of universiteit ontstaat en niet in bedrijven? Dat KMO’s slechte werknemers zijn omdat ze geen pensioensparen (kunnen) aanbieden en dat een vaste betrekking met benoeming daar uitgesloten is?

Ik kan het de man niet kwalijk nemen, waar heeft hij het geleerd? Na een opleiding die meer en meer theoretisch van aard is en dito masterproef werd een doctoraat aangevat die per definitief nog altijd sterk doorweegt naar het theoretische. Toch is deze vaststelling verontrustend, te meer daar ze geen uitzondering meer vormt. Het is niet sinds de masteropleidingen aan de hogescholen weten dat ze naar de universiteit gaan, dat de afstand tot de bedrijven stelselmatig toeneemt. Deze tendens was al geruime tijd waar te nemen aan de hogescholen. Onderzoek of projecten uitvoeren in samenwerking met bedrijven stelt immers hogere eisen aan een onderzoeker dan de eisen die binnen de cocon van een labo gevraagd worden.  Daar kan men nog rustig experimenteren, kleinere proefjes opzetten en verklaren dat de didactische aanpak en het leerproces ook belangrijk zijn. Uiteraard mogen we dit zeker niet onderschatten, maar moeten we het ook niet overschatten. In bedrijven en zeker in kleine bedrijven staat  het valoriseren van projecten en onderzoeken voorop. Indien er geen directe marktwaarde uit een project voortkomt dan hoeft het niet. Bovendien zijn reële projecten in bedrijven vaak onduidelijk gedefinieerd, moeilijk te beheren, van langere termijn dan voorzien en is de kans op slagen kleiner dan de kans op onvoorwaardelijk succes. Dit zijn zaken die vaak haaks staan op wat men binnen het onderwijs wil geloven. Alles jaren vooraf vastleggen in plannen en de materie reduceren tot doceerbare brokken die netjes binnen een alsmaar korter wordende semestrieel schema past lijkt daar meer en meer de overhand te krijgen.  Maar precies om de broodnodige waarde voort te brengen die de industrie als taak heeft zijn leiderschap, onregelmatig en hard werken, initiatief en doorzetting nodig. Skills die mijn inziens te weinig aan bod komen in de huidige opleiding. Uiteraard wel in het formuleren van doelstellingen, maar hoe krijg je deze vertaalt in competenties en bovendien hoe gaat men dat evalueren? Projecten in bedrijven kunnen niet in een labo gesimuleerd worden. Uiteraard zitten studenten in een leersituatie en kan een succes op slagen van een project niet per definitie gegarandeerd worden, maar ook dit wordt maar al te vaak als een excuus gebruikt om het dan maar niet te doen. Docenten zijn daardoor sterk vervreemd van de industrie en vertonen soms zelfs een aversie tegenover het werkveld van hun studenten.

Een industrieel ingenieur moet na zijn studie niet alle kennis en kunde meegekregen hebben vanuit de universiteit. Dit is niet mogelijk voor geen enkel diploma en kan in onze immer veranderende industrieel-economische omgeving ook niet de doelstelling zijn. Heeft hij of zij daarbij ook een focus op het theoretisch dan is dat mooi meegenomen en zal dit het later bijleren alleen maar faciliteren.  Maar de industrieel ingenieur moet in eerste instantie  wel zijn echte werkveld kennen en moet vooral gewapend zijn om daarin een waardevolle bijdrage te kunnen leveren. Industrieel ingenieurs opleiden die onmiddellijk naar het onderwijs of naar de overheid trekken na het felbegeerde diploma moet daarom ontmoedigd worden. De industrie en enkel de industrie kan het werkveld zijn van de industrieel ingenieur. Maar nog veel belangrijker is dat de afgestudeerde ingenieurs de goesting moet hebben om naar de industrie te trekken. Deze appreciatie kan er maar komen indien docenten dat ook uitstralen in hun aanpak. Ik ben daarom geen voorstander om in de opleiding industrieel ingenieur te veel kennisvakken te doceren in het (enige) masterjaar, maar dit jaar vooral te gebruiken om het industriële werkveld te ontginnen door projectmatig (industrieel) onderzoek. Docenten mogen er ook niet alleen voor staan. Dit is een oproep naar het gehele onderwijs waar er moet afgestapt worden van de stereotypering in verband met het genderprobleem en de waardering in zijn geheel van  technische studies.

Eigenlijk zijn dit allemaal zaken die niet zo onzichtbaar zijn, althans niet voor diegene die ze wil zien, maar ze zijn wel zeer essentieel om onze industriële toekomst veilig te stellen en moeten in het hart gedragen worden. Althans voor deze die het goed menen met de opleiding industrieel ingenieur.


[1] Le Petit Prince, Antoine de Saint-Exupéry, CreateSpace Independent Publishing Platform, Ill editie (9/6/2012)

%d bloggers like this: