2012 in review

The WordPress.com stats helper monkeys prepared a 2012 annual report for this blog.

Here’s an excerpt:

600 people reached the top of Mt. Everest in 2012. This blog got about 5,300 views in 2012. If every person who reached the top of Mt. Everest viewed this blog, it would have taken 9 years to get that many views.

Click here to see the complete report.

Industrieel Ingenieur, je mikt toch wel op de industrie?

Paradox! Nog nooit is de vraag naar (industrieel) ingenieurs zo groot geweest en toch is de toekomst van de industrieel ingenieur is in gevaar.  De industrieel ingenieurs gaan naar de universiteit en daar zijn ze stiekem toch wel trots op. Meer aanzien, meer prestige, allemaal zogezegd niet essentieel, maar Antoine de Saint-Exupéry[1] wist wel beter toen hij stelde dat men enkel met het hart goed kan zien en dat het essentiële onzichtbaar is voor de ogen. Wat is nu essentieel en eventueel onzichtbaar? De vraag stellen is ze beantwoorden. We doen dus een poging.

Essentieel is zeker dat ons industrieel weefsel waarop onze welvaart steunt, grotendeels aan het afkalven is. Het Ford-debacle van een goede maand geleden, daarvoor nog de sluiting van GM in Antwerpen en recent nog de aankondiging dat wellicht één op zes KMO’s volgend jaar in ons land failliet dreigen te gaan moet ons toch doen nadenken? Het zijn niet enkel de loonkosten of de lokroep van het oosten die dit veroorzaken. De oorzaken moeten we hier in onze contreien en vooral bij onszelf zoeken. Niet echt comfortabel om in eigen boezem te kijken. De essentie is dat we terug onze laarzen moeten aantrekken en in de modder moeten gaan staan. Onze handen durven vuil maken! Dit betekent concreet daar staan waar de dingen plaats vinden en waar in stilte en met weinig dure woorden welvaart gecreëerd wordt.  Dit zijn de bedrijven waar de bouwstenen voor onze gemeenschap dag op dag worden aangemaakt. Vooral in KMO’s waar er misschien weinig strategische visie is, behalve dan dat elk resultaat een inspanning vereist. Op zich een strategisch advies dat kan tellen.

Recentelijk zat ik in een vergadering waar een jonge docent, industrieel ingenieur met doctoraat, een aantal uitspraken deed die alleen maar konden vermoeden dat de man in kwestie de realiteit van een privaat bedrijf niet begreep. Ondernemerschap en projectleiding werden daarbij door elkaar gehaald, management en leidinggeven serieus verward en privaat initiatief werd als een gelijke van het functioneren van de overheid beschouwd. Ik vroeg mij af welke ‘waarheid’ de man zijn studenten vertelt? Dat overheidsgeld besteden in projecten gelijk is aan geld verdienen en opnieuw investeren? Dat innovatie enkel aan een hogeschool of universiteit ontstaat en niet in bedrijven? Dat KMO’s slechte werknemers zijn omdat ze geen pensioensparen (kunnen) aanbieden en dat een vaste betrekking met benoeming daar uitgesloten is?

Ik kan het de man niet kwalijk nemen, waar heeft hij het geleerd? Na een opleiding die meer en meer theoretisch van aard is en dito masterproef werd een doctoraat aangevat die per definitief nog altijd sterk doorweegt naar het theoretische. Toch is deze vaststelling verontrustend, te meer daar ze geen uitzondering meer vormt. Het is niet sinds de masteropleidingen aan de hogescholen weten dat ze naar de universiteit gaan, dat de afstand tot de bedrijven stelselmatig toeneemt. Deze tendens was al geruime tijd waar te nemen aan de hogescholen. Onderzoek of projecten uitvoeren in samenwerking met bedrijven stelt immers hogere eisen aan een onderzoeker dan de eisen die binnen de cocon van een labo gevraagd worden.  Daar kan men nog rustig experimenteren, kleinere proefjes opzetten en verklaren dat de didactische aanpak en het leerproces ook belangrijk zijn. Uiteraard mogen we dit zeker niet onderschatten, maar moeten we het ook niet overschatten. In bedrijven en zeker in kleine bedrijven staat  het valoriseren van projecten en onderzoeken voorop. Indien er geen directe marktwaarde uit een project voortkomt dan hoeft het niet. Bovendien zijn reële projecten in bedrijven vaak onduidelijk gedefinieerd, moeilijk te beheren, van langere termijn dan voorzien en is de kans op slagen kleiner dan de kans op onvoorwaardelijk succes. Dit zijn zaken die vaak haaks staan op wat men binnen het onderwijs wil geloven. Alles jaren vooraf vastleggen in plannen en de materie reduceren tot doceerbare brokken die netjes binnen een alsmaar korter wordende semestrieel schema past lijkt daar meer en meer de overhand te krijgen.  Maar precies om de broodnodige waarde voort te brengen die de industrie als taak heeft zijn leiderschap, onregelmatig en hard werken, initiatief en doorzetting nodig. Skills die mijn inziens te weinig aan bod komen in de huidige opleiding. Uiteraard wel in het formuleren van doelstellingen, maar hoe krijg je deze vertaalt in competenties en bovendien hoe gaat men dat evalueren? Projecten in bedrijven kunnen niet in een labo gesimuleerd worden. Uiteraard zitten studenten in een leersituatie en kan een succes op slagen van een project niet per definitie gegarandeerd worden, maar ook dit wordt maar al te vaak als een excuus gebruikt om het dan maar niet te doen. Docenten zijn daardoor sterk vervreemd van de industrie en vertonen soms zelfs een aversie tegenover het werkveld van hun studenten.

Een industrieel ingenieur moet na zijn studie niet alle kennis en kunde meegekregen hebben vanuit de universiteit. Dit is niet mogelijk voor geen enkel diploma en kan in onze immer veranderende industrieel-economische omgeving ook niet de doelstelling zijn. Heeft hij of zij daarbij ook een focus op het theoretisch dan is dat mooi meegenomen en zal dit het later bijleren alleen maar faciliteren.  Maar de industrieel ingenieur moet in eerste instantie  wel zijn echte werkveld kennen en moet vooral gewapend zijn om daarin een waardevolle bijdrage te kunnen leveren. Industrieel ingenieurs opleiden die onmiddellijk naar het onderwijs of naar de overheid trekken na het felbegeerde diploma moet daarom ontmoedigd worden. De industrie en enkel de industrie kan het werkveld zijn van de industrieel ingenieur. Maar nog veel belangrijker is dat de afgestudeerde ingenieurs de goesting moet hebben om naar de industrie te trekken. Deze appreciatie kan er maar komen indien docenten dat ook uitstralen in hun aanpak. Ik ben daarom geen voorstander om in de opleiding industrieel ingenieur te veel kennisvakken te doceren in het (enige) masterjaar, maar dit jaar vooral te gebruiken om het industriële werkveld te ontginnen door projectmatig (industrieel) onderzoek. Docenten mogen er ook niet alleen voor staan. Dit is een oproep naar het gehele onderwijs waar er moet afgestapt worden van de stereotypering in verband met het genderprobleem en de waardering in zijn geheel van  technische studies.

Eigenlijk zijn dit allemaal zaken die niet zo onzichtbaar zijn, althans niet voor diegene die ze wil zien, maar ze zijn wel zeer essentieel om onze industriële toekomst veilig te stellen en moeten in het hart gedragen worden. Althans voor deze die het goed menen met de opleiding industrieel ingenieur.


[1] Le Petit Prince, Antoine de Saint-Exupéry, CreateSpace Independent Publishing Platform, Ill editie (9/6/2012)

The end of Cloud Computing as we know it

It was 2008 when the word cloud was starting to get used to identify the broader concept of the internet. Before we saw iconic drawings of the internet as a cloud in presentations, but the term was actually not really used. Very soon the cloud was filled with recuperated concepts dating back to the beginning of the dot.com bubble. Then we spoke about application service providing (ASP), in the cloud rebaptized as Software-as-a-Service, utility computing (Infrastructure-as-a-Service) and thin clients (Platform-as-a-service). It was the time that everything had to be ‘web-enabled’. Every report or panel from an application had to be a webpage so it could be published or posted on the web.

The cloud  has become real with the offerings of Amazon and Google. They went to the market with cheap and flexible offerings for storage and computing performance, greatly appreciated by residents and small & home offices and of course facilitated by cheaper broadband access. Together with the technical progress in virtualization of PC platforms, well appreciated in small and medium-sized enterprises a new IT paradigm took off. Cloud computing was born.

To me this was only a first small step towards a new IT paradigm. We could called this step ‘Cloud Computing version 1’ (CC1) or the ‘capacity cloud’. CC1 is a prolongation of current IT practices characterized by a (very) large focus on technology and cost cutting. However inside organizations nothing seems to have changed. IT projects are still running out of budget and time, ERP systems are still not delivering results while eating large portions of the IT budget and users are still complaining about everything that comes from IT. The CIO was shove aside as the chief IT mechanical who has nothing to do with the business and in that way losing his status as a director.

However businesses seems to have discovered the real value of the cloud. The concept of ‘as a service’ seems to be a handy concept not only for bringing in capacity or IT but for more business oriented things like: ‘intelligence-as-a-service’, ‘analytics-as-a-service’, ‘social-media-as-a-service’, ‘innovation-as-a-service’, … We could summarize this as ‘capabilities-as-a-service’. The whole outside world can now be brought into the organization on a scalable and flexible way. And there is plenty of room outside the organization! Businesses are thereby surpassing even more the traditional oriented CIO. There is no more need for a separate IT budget, the cloud offerings are operational expenses on the budgets of functional managers.  For the new CIO this is a huge challenge. Will the CIO reshape his function as a truly C-level executive or will the job finally resolve into an extra role of any business manager and executive? In Cloud Computing v.2, IT is still at the heart of every offering, but the focus is now on the business where it should be.

jan devos

To be in control or not to be in control, that’s the question!

Three worlds

We as human beings like to be in control. This is probably grounded in our deep desire to be godlike.  The control thought is unsurpassed applied in the engineering discipline through skillful design of mechanical, electrical and chemical systems that all work very well (most of the times) and helped us all to live a comfortable life.

Engineers used to model everything, also the human factor. In computer science and information systems the human factor is modeled into the abstract concept of ‘the user’, in machinery and mechanics it is ‘the operator’ or ‘the driver’ and in architecture it is ‘the owner-occupier’.  They all share a common treatment as being reduced into a manageable entity with steady and controllable variables. Today the technical imperative is no longer predominant. In IT, the user is now in control of devices and networks and he or she creates his or her content through apps, games and social networks. In industrial design the user experience is now a central paradigm to create new products. In electronics we are experimenting with immersive technologies and we try to capture human emotions and feelings through innovative sensors.  However, as soon as humans are involved in systems, things are becoming harder to predict and to explain. Why? Because human situations (a human working with a computer, a person living in a house,…) are very complex and cannot be treated as rational. There is no universal law of human behavior. The validity claims that we make of human situations must imply the acceptance of any form of subjectivity. This conflicts with the rules of the natural sciences. However reductionism and natural science are so dominant present in our way of thinking that we fail to make sense of a lot of systems.

There is also good news. Objectivity and subjectivity are related. A lot of researchers did a good job of searching for an umbrella perspective. One of most compelling examples is the concept of an organization. Organizations, be it commercial businesses or not-for-profit organizations strive through a complex set of rules and procedures for reaching their formulated objectives. However it is almost impossible to observe from an external point of view how an organization will attain their goals.  To fully understand what happening in the machinery of an organization we should become part of it. The researcher has to immerse in the problem to make sense of it. In doing so we interfere with the ground rule of natural sciences that reality is external to the individual. This should not be an obstacle when we adopt another epistemological stance. However this cannot imply that we assume a unadulterated subjective perspective. The proper paradigm is here interpretivism.  The best way to understand the interpretive paradigm is through the work of K. Popper and J. Habermas and is illustrated in next figure. Both philosophers stated that (scientific) knowledge can be gained and used in more than one way.   The use the metaphors of three different worlds.

The first world is the objective world of material things and the state of affairs. It is in this world that natural sciences are predominant. In world 1 we search for truth and efficacy. It is the binary world in which something is true or not. World 1 is ruled by mathematics and variance theories. World 2 is the subjective world of mental states of personal experiences and beliefs. It is an intersubjective world based on a shared understanding and a consensual form of social coordination. The validity claims is about sincerity and truthfulness. The interpretive paradigm is valid in world 3, which is an objective but abstract world of man-made entities. It is a social world of normatively regulated social relations. The validity claims here ore legitimacy and justification. Something is right. Something is not right. If A happens, then B may happen or it may not. Hard to understand for engineers. However theories in world 3 are much more process theories with change and time as important constructs and not so much variance theories in which cause-effects are noticeably.

To be still in control of man-machine artifacts will imply that we at least move into world 3, without neglecting world 1 and world 2 to gather knowledge. However full control will still be a difficult attainable goal for researchers.

It is a pity that the engineering education is so strictly divided into compartments or silos of knowledge all centered around one area of specialism but all of them strongly embedded in a positivistic paradigm. This way of doing is of course understandable in our ever specializing world of technical systems, but it is the main reason why we are still not in control of our systems.  It should be mandatory for engineers designing artifacts to get familiar with the interpretive paradigm. The rigor so typical for the hard-educated and mathematical trained engineers should be also applied in the more interpretative oriented inquiries. This could give the necessary credibility that now is often lacking the interpretative researcher.

%d bloggers like this: