Quo Vadis Industrieel Ingenieur ?

Samenvatting

De masteropleidingen in de departementen industriële wetenschappen en technologie (IWT) van de Vlaamse hogescholen staan aan de vooravond van belangrijke veranderingen. Binnen de op til staande rationaliseringsgolf in het hoger onderwijs  wordt er voorzien voor een ‘inkanteling’ van alle masteropleidingen aan de universiteit. De recente visitatiecommissies hebben echter mogen ondervinden dat het academiseringsproces nog zeer veel vragen oproept die vooralsnog onbeantwoord blijven. De algemene deelaspecten zijn min of meer gekend, zoals onderzoeksgerichtheid, internationalisering en de rol van de doctoraten, doch het verband met de basis van dit alles is zeker niet voldoende gedefinieerd. Vooral de specifieke relatie met de industrie dat de industrieel ingenieurs hebben lijkt onvoldoende duidelijk uit de verf te komen in de nieuwe structuur. Mede door de huidige financieel-economische crisis zijn er momenteel ernstige existentiële vragen in onze industriële ondernemingen ontstaan. Per definitie kunnen de opleidingen IWT de toekomstige evolutie mee richting geven. De Vlaamse ingenieursverenigingen, VIK en KVIV bestuderen elk vanuit hun standpunt mogelijke denkpistes. De bijdrage in dit artikel bestaat uit een aantal reflecties rondom vier gerelateerde stellingen die we hier poneren: 1) het entrepreneurbedrijf levert de juiste onderzoeksvragers, 2) de hogescholen zijn bij uitstek   aanspreekpunt voor regionale industriële ondernemingen, 3) er is een schrijnend tekort aan ingenieurs, en 4) er is een ernstige afkalving van het industriële weefsel bezig in onze contreien die ons allen noopt tot actie. Onze stellingen nodigen hopelijk uit tot debat en leveren hierdoor een bijdrage voor diegene die vanuit het beleid, de industrie en het onderwijs begaan zijn met deze materie.

 

Inleiding

Van technisch ingenieurs, naar industrieel ingenieurs, naar academische masters in de industriële wetenschappen en technologie.

Naast het kunst- en het muziekonderwijs is de opleiding industrieel ingenieur (master in de industriële wetenschappen) veruit de grootste groep binnen de hogeschoolmasters. Deze opleiding heeft destijds de weg naar de universiteit nooit gevonden. De opleiding heeft haar oorsprong in 1977 toen de driejarige opleiding van technisch ingenieur werd afgebouwd ten voordele van een nieuwe vierjarige opleiding ‘van universitair niveau’ zoals dit toen werd genoemd met als titel: industrieel ingenieur. De opleiding bleef echter aan een hogeschool verbonden. Het diploma en de opleiding industrieel ingenieur zijn een echt succes voor Vlaanderen (geweest). Bedrijven wisten het: een goede wiskundige vorming is goed, doch problemen in de praktijk worden niet alleen met wiskunde of natuurkunde opgelost. Daar pikt de opleiding industrieel ingenieur gretig op in. Eens de basisvakken achter de rug maar vaak nog in diezelfde basisvakken wordt er gestart met de toepassing. Elke module is een combinatie van theorie en praktijk. Geleidelijk aan wordt hierdoor een beroep geleerd. Tezelfdertijd wordt er toch een stevige theoretische basis gelegd. Dit kan, omdat het onderwijzend korps aan de hogescholen heel heterogeen is samengesteld. Meer en meer doctores zakken intussen af naar het hogeschoolonderwijs en vullen het bestaande personeel van meestal praktisch geschoolde docenten aan. De afstuderende industrieel ingenieur is daardoor een bijzonder gegeerd profiel voor onze Vlaamse economie. Deze laatste is gekenmerkt door een groot aantal kleinere bedrijven, meestal actief in diensten, handel en productie, en niet al te afhankelijk van buitenlandse grote ondernemingen. Burgerlijke ingenieurs gedijen minder goed in een dergelijke omgeving. Hun opleiding mikt eerder op carrières in grote internationale productiebedrijven, de overheid of in de financiële sector.

De opleiding industrieel ingenieur, maar eigenlijk alle masteropleidingen aan de Vlaamse hogescholen staan nu aan de vooravond van belangrijke veranderingen. Binnen de op til staande rationaliseringsgolf in het hoger onderwijs  wordt er voorzien voor een ‘inkanteling’ van de (academische) masteropleidingen aan de universiteit. Inkantelen is een nieuw woord om te zeggen dat de masteropleidingen verdwijnen aan de hogescholen waardoor een volledig binair onderwijssysteem in Vlaanderen wordt ingevoerd, conform het Bama-decreet. Hoewel de inkanteling voorzien is vanaf het academiejaar 2012-13 is tot op heden nog heel wat onduidelijk over de concrete modaliteiten waaronder dit belangrijk proces zal plaats vinden. Toch wordt nu al gemeten of de masteropleidingen aan de hogescholen het academiseringproces al in voldoende mate hebben opgestart wat mag blijken uit de opdracht van de huidige visitatiecommissies van de VLHORA.

Het duidelijkst in het academiseringproces is het statuut van de docent. Die moet een doctoraat op proefschrift hebben behaald om te kunnen les geven aan een hogeschool. Op het ogenblik is dit voor de grote meerderheid van docenten, lectoren en werkleiders geenszins het geval, en er is geen reden om te twijfelen dat er aan de hogescholen/universiteiten nog voor gemiddeld 15 jaar een niet geacademiseerd korps zal aantreden voor de studenten industriële wetenschappen. De meeste hogescholen trachten hun kader nu versneld te academiseren door doctores aan te werven. Dit gaat met wisselend succes. De echte beweegreden zou eigenlijk de nood aan permanente herbronning van het bestaande onderwijzend korps en de vernieuwing van de bestaande opleidingen aan de hogescholen moeten zijn. Dit betekent dat er een rechtstreeks verband moet kunnen worden aangetoond tussen het doctoraat en de structurele en inhoudelijke wijziging van de opleidingen. Helaas krijgt deze nieuwe betekenis van de gedoctoreerde ingenieur nog maar weinig bijval.

Dit brengt ons dan meteen op een tweede aspect van het academiseringsproces: het toegepast wetenschappelijk onderzoek. Alle masteropleidingen worden geacht aan wetenschappelijk onderzoek te doen. Hier is de onduidelijkheid mogelijks nog groter. Hogescholen hebben immers geen sterke traditie op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. Er worden aan de hogescholen wel veel succesvolle projecten uitgevoerd, bovendien met een zeer hoge relevantie voor het werkveld, getuige hiervan de evaluatie van de TETRA-projecten door het bedrijfsleven. Maar anderzijds moeten we ons durven de vraag stellen of het uitvoeren van dergelijke, meestal technologisch laagdrempelige projecten wel onder de noemer van wetenschappelijk onderzoek valt. Zeker in een internationale academische context wordt kennisoverdracht en projectmatig participeren in industriële projecten weinig gehonoreerd. Dit valt te betreuren maar het is nu eenmaal een realiteit dat wetenschappers hun output louter en alleen meten op basis van de zogenaamde A1-papers. Dit zijn schriftelijke neerslagen van puur wetenschappelijke onderzoek, meestal volledig geïnitieerd aan universiteiten, theoretisch en meestal ook gespeend van elke relevantie naar de praktijk of industrie. Dit is geen verwijt maar een vaststelling en bovendien in lijn met de wetenschappelijke missie van een universiteit.

Gemakshalve wordt het onderzoek dat plaats vindt aan de hogescholen dan maar toegepast wetenschappelijk onderzoek genoemd en verwijst men naar het werk van Gibbons et al (1994) over het zogenaamde mode-2 onderzoek. Het is ons inzien minstens van belang expliciet te formuleren wat men onder toegepast wetenschappelijk onderzoek verstaat. Er zijn hierbij duidelijk twee strekkingen. De hogescholen, verenigt in de VLHORA en de Vlaamse Ingenieurskamer (VIK), de vereniging voor industrieel ingenieurs plaatsen toegepast wetenschappelijk onderzoek in de hogescholen en pleiten dan ook voor een doctoraatsopleiding aan de hogescholen. De andere, meer behoudsgezinde strekking komt van de universiteiten en de Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereniging (KVIV), de vereniging voor burgerlijk ingenieurs. Die pleiten voor een doctoraatsopleiding aan de universiteiten. Beide onderzoekmodes staan in hun praktische realisatie in principe lijnrecht tegenover elkaar.  Daarom moeten we beter het begrip industriële wetenschappen verduidelijken. Industriële wetenschappen en ingenieurswetenschappen worden nu reeds tentatief in één groep ondergebracht: de exacte wetenschappen. Er zijn ons inziens de volgende types van positieve wetenschappen te onderscheiden: 1) de exacte wetenschappen die uiteen vallen in de zuivere wetenschappen en de ingenieurswetenschappen (vroeger de toegepaste wetenschappen), en 2) de industriële wetenschappen. Het is duidelijk dat voor het eerste type onderzoek en de opleiding aan de universiteiten wordt bedoeld. De industriële wetenschappen als tweede type zouden dan logischerwijze het domein van de hogescholen zijn met een opleiding tot master in de industriële wetenschappen moeten zijn. Deze laatste zien wij evolueren binnen een zogenaamde geassocieerde faculteit die industrieel ingenieurs of ‘professionele’ masters aflevert, hoewel deze kwalificatie van een master niet voorzien is door de wetgever.

De onderzoekssituatie is wellicht het duidelijks voor de fundamentele wetenschappen en de pure natuurwetenschappen. Deze halen vanuit de empirie, de observatie en de theorieontwikkeling de kennis uit het ongekende. Hun onderzoeksvragen worden geïnitieerd vanuit de academie. De wetenschapsproductie voor de fundamentele wetenschappen is gekenmerkt door lange termijn en het ontbreken van een (onmiddellijke) economische of industriële waarde. De klassieke universiteiten bieden hier de gepaste voedingbodem om deze wetenschappen te laten gedijen. Iets minder duidelijk is de mutuele positie van de ingenieurswetenschappen en de industriële wetenschappen. Opdat wetenschap zou leiden tot utilitaire producten is het nodig dat er artefacten worden ontwikkeld. Dit zijn methodes, procedés, machines, algoritmes en dergelijke meer. Artefacten worden niet ontdekt maar gebouwd, zijn utilitair en niet neutraal. Een artefact is het resultaat van een onderzoeksopzet en door mensen gemaakt. Het is de eerste stap naar de toepassing. Het bouwen en ontwerpen van artefacten is momenteel hoofdzakelijk de taak van de toegepaste (als onderdeel van de exacte) wetenschappen, recentelijk omgedoopt tot de ingenieurswetenschappen. Deze naamswijziging kan enigszins betreurd worden omdat hiermee de ingenieurstitel door de faculteiten ingenieurswetenschappen exclusief geclaimd wordt. Bouwen en ontwerpen van artefacten is niet enkel het terrein van de academisch ingenieur maar deels ook van de industrieel ingenieur. Artefacten hebben weliswaar een duidelijk hogere economisch of industriële waarde dan louter wetenschap en kennis, maar zijn daarom nog niet noodzakelijk marktklare producten. De verdere stap is de creatie van een industrieel product uit artefacten. Deze laatste stap is bij uitstek weggelegd voor de industriële wetenschappen die toegepast en tevens multidisciplinair moeten zijn. Wij noemen het toegepast wetenschappelijk onderzoek onder meer omdat de onderzoekvraag vanuit de industrie komt. Dit is toch enigszins verschillend met de wetenschapsvalorisatie die van universiteit naar industrie gaat en duidelijk moeizamer verloopt en bovendien pas op langere termijn vruchtbare resultaten afwerpt. Bovendien lijkt er binnen de universiteiten een zekere drempelvrees te zijn om de industrie te betrekken bij het onderzoek (Pil, 2009). Het toegepast wetenschappelijk onderzoek zal door de aard van de onderzoekvragen daarom sneller een positieve bijdrage kunnen leveren aan de industrie. Het onmiddellijke validerende effect van het toegepast wetenschappelijk onderzoek of industrieel onderzoek moet dan ook intrinsiek zijn aan dit type onderzoek. De aanpak en het verloop van het toegepast wetenschappelijk onderzoek moet echter dat zijn van het reguliere academisch onderzoek waarbij een rigoureuze onderzoeksmethodiek gewaarborgd wordt. Het academiseren in hogescholen kan echt niet zonder de strengheid en de discipline van het bestaande wetenschappelijke onderzoek, zo niet verliezen ze elke kans op geloofwaardigheid. Dit is zowel een uitdaging als een bedreiging. De uitdaging zit er hem in dat industriële hogescholen wel eens een uniek parcours zouden kunnen afleggen met het toegepast wetenschappelijk onderzoek in nauwe samenwerking met de industrie waarin universiteiten hen zelfs niet kunnen voorgaan. De bedreiging is dat er niet aan verleiding zal kunnen weerstaan worden om een snelle en gemakkelijke weg te kiezen om hogescholen zomaar aan universiteiten te koppelen, zonder de (moeilijkere) weg van het industrieel onderzoek.

Wij zien het creëren van een marktklaar of gebruiksklaar product als een taak van de industrieel ingenieur binnen zijn opleiding in de industriële wetenschappen. Deze activiteit moet door het aanzwengelen van het industrieel wetenschappelijk onderzoek versterkt worden. Uiteraard kunnen ook hier de burgerlijke ingenieurs hun duit in het zakje doen, wat ze trouwens al doen. Het valt echter te betreuren dat de waarde en het prestige dat gepaard gaat met het industrieel  onderzoek maatschappelijk en academisch vaak minder hoog wordt aangeschreven. We kunnen hiervoor terloops ook verwijzen naar de bestaande discussie over het fel onderschatte technische middelbaar onderwijs, dat meestal ondergeschikt aan het algemeen secundair onderwijs wordt bekeken. Ook daar wordt er  zeer weinig uitgegaan van twee verschillende maar evenwaardige finaliteiten.

Bij wijze van illustratie wijzen we hier op de situatie in de Ierse republiek waar de overheid in 2006  een wetgevend initiatief genomen heeft (de Institutes of Technology Act) om het onderzoek in de technische hogescholen te herwaarderen. Een Ierse hogeschool die nodige kwaliteitsgarantie kan voorleggen krijgt de autonomie om zijn eigen opleidingsprogramma’s te valideren. Dit gaat vanaf de bacheloropleiding tot en met de doctoraatsopleiding. Momenteel hebben 5 van de in totaal 14 hogescholen het statuut van ‘Institute of Technology’ verworven. De accreditatie hiertoe wordt toegekend door het HETAC (Higher Education and Training Award Council) een orgaan gecreëerd door de overheid en samengesteld met mensen uit de  academie, de hogescholen en industrie. De visitatiecommissies voor industriële wetenschappen en technologie bij ons hebben echter aangetoond dat het academiseringsproces nog zeer veel vragen oproept die vooralsnog onbeantwoord blijven. Hoewel de algemene deelaspecten hiervan min of meer gekend zijn, zoals de onderzoeksgerichtheid, de internationalisering en de rol van de doctoraten is het verband met de basis van dit alles niet voldoende gedefinieerd. Zo is er nog onvoldoende consensus rondom de juiste betekenis van de industriële wetenschappen hoe deze zich onderscheiden van de ingenieurswetenschappen. Het is daarom belangrijk de industriële wetenschappen in hun algemeen maatschappelijke context te situeren. Deze maatschappelijke context is (hoofdzakelijk) het industriële werkveld. Concreet betekent dit hoe kunnen de industriële wetenschappen helpen om nieuwe industriële producten en processen op gang te brengen. We formuleren daarom enkele stellingen welke we onderbouwen, en voorstellen voor studie en actie. We beschrijven hierbij ook kort de volgens ons fundamentele rol van de KMO in dit alles.

KMO’s vormen het werkveld bij uitstek voor de industrieel ingenieur

De betreurde wetenschapper en briljant denker Sumantra Ghoshal (2005) van de London School of Economics heeft op een gedreven manier aangetoond dat het puur materiële management denken dat sinds meer dan dertig jaar overal de toon aanvoert, ons ver in de verkeerde richting heeft doen afwijken. Het heeft onder meer geleid tot een verstikking van het participatieve entrepreneurschap en tot een veralgemeend onethisch handelen dat menselijke structuren vernietigt. De zeer vele conglomeraten ontstaan uit een tomeloze drang naar schaalvergroting en macht blijken vaak op zand gebouwd en op grote overcapaciteit zonder echte productvernieuwing noch focus. We menen dat de recente instorting van de financiële sector hiervan een zoveelste resultaat is. De huidige crisis heeft plots de inherente zwakheid aangetoond van het alom verspreide ‘jaarlijkse groei’-model. Dit ging meestal gepaard met spectaculaire acquisities, niettegenstaande vaak werd aangetoond  dat een meerderheid hiervan mislukken en bovendien steevast gepaard gaan met grote vernietiging van kapitaal en vooral van sociaal kapitaal. Deze kunstmatige groei creëerde meteen de nu zo verwerpelijke kloof tussen fabelachtige hoge wedden van topmanagers en de ‘normale’ verloning van de meeste bedienden, arbeiders en kaders. Meteen ontstond ook een tendens waarbij de werknemer een gemiddeld lagere identificatie vertoonde met het ondernemen. Ook de pers doet haar duit in het zakje door ondernemers meestal zeer stereotiep te portretteren. Zelfs vakbonden zijn vaak verworden tot louter administratieve onderhandelaars met steeds minder aandacht voor de betrokkenheid van hun leden met de onderneming. Dat bovendien vele CEO’s aangesteld worden middels een eigen managementvennootschap was ook nefast voor de solidariteit met de onderneming en creëerde de zogenaamde ‘one-year-excutives’. Die laatste is superactief voor één jaar na een zoveelste acquisitie of reorganisatie om dan snel van het toneel te verdwijnen nadat de grond te heet onder de voeten geworden is.

Elke nieuwe onderneming en elke echte vernieuwing berust op gratuïteit en op toegewijde en vertrouwen hebbende medewerkers. Familiale ondernemingen zijn daarom dikwijls innovatief en sterk door generaties van trouw aan een missie, met een ondernemingsgebondenheid die door haar voorbeeld van contractuele personeelsleden medewerkers maakt. Vele familiale ondernemingen ontstonden door de nauwe samenwerking van twee en soms drie personen. De beste slagen erin dit laatste model over meerdere generaties te bewaren. Bovendien is er ook een fundamenteel verschil tussen een eigen organische groei en een kunstmatige groei door van boven opgelegde fusies. Daartussen  staat de kleine en middelgrote onderneming, een vlag die vele ladingen dekt. Eigenlijk willen we het in de context van deze tekst hebben over ondernemingen die zelfstandig zijn volgens de Angelsaksische definitie te weten,  bestuurd en geleid  door zelfstandige bedrijfsleiders of ‘entrepreneurs’ met een ‘sense of mission’ en een (levens)visie welke zij door hun engagement weten over te dragen aan medewerkers. Het zijn personen die door hun gedrevenheid en visie in staat zijn om duidelijke beslissingen te dragen. Zodoende hebben wij het begrip KMO verruimd tot entrepreneurial ondernemingen, die de echte vernieuwers zijn in het industrieel werkveld. Dit heeft in se zelfs niets te maken met omvang van de onderneming, zoals door het blijvend succes van sommige goede grote familiale ondernemingen of industriële stichtingen trouwens wordt aangetoond. Gemakshalve blijven we hier de term KMO gebruiken omdat onze focus ligt op meestal kleinere, doch hoog gespecialiseerde industriële ondernemingen. KMO’s vertonen ten aanzien van de grote meestal beursgenoteerde ondernemingen een compleet verschillende bedrijfseconomische, culturele en beslissingmatige omgeving.

Stelling 1:  de KMO stelt de juiste onderzoeksvragen

Door het stellen en het beantwoorden van de juiste maatschappelijke vraag over een mogelijk nieuw industrieel product kan de ondernemer een nieuwe markt en een nieuw industrieel proces scheppen. Een entrepreneur onderneemt vanuit een visie en moet zelf de middelen creëren en het risico nemen dat gepaard gaat met nieuwe creaties. Dit laatste gaat enkel mits vrijwillige steun uit zijn omgeving die hem het vertrouwen schenkt en een rechtskader dat dit risico nemen beschermt.

Elk echt nieuw product of dienst brengt een wijziging aan de bestaande technostructuur waarin we allemaal leven en werken. De technostructuur is een onderdeel van de ganse politiek-maatschappelijke ordening. In een democratische rechtstaat omhelst deze laatste ook de  wetten en regels in verband met eigendomsrecht, burgerrecht en handelsrecht. Binnen die context situeert zich dan ook het overheidsinitiatief of de steun voor het wetenschappelijk onderzoek in industrie en onderwijs, en aldus uiteindelijk ook binnen de academisering van de hogescholen. Deze academisering dient dan ook te gebeuren in het spanningsveld van onderzoek en van creaties in de ondernemingen (en) in een internationale context.

De zuivere wetenschapper ontdekt wetmatigheden; de (industrieel) ingenieur kent die wetmatigheden en gebruikt ze om producten uit te  vinden. De ingenieur moet hiervoor echter in een ‘entrepreneurial’ context bij een onderneming kunnen werken. Deze context is per definitie participatief. Participatie is die vorm van werken en organiseren waarbij alle medewerkers het gevoel hebben aan het ondernemingsinitiatief deel te nemen, en weten dat ze zeggingskracht hebben, elk op zijn werkdomein in het ondernemingsproces (Lubich et al, 2002). Dit veronderstelt motiverend leiderschap in tegenstelling met het intimiderend management.

Participatie moet ook extern gericht zijn. Dit betekent dat industrieel ingenieurs moeten deelnemen aan gestructureerde activiteiten en opleidingen met hun gelijken in het beroep. Zeer concreet is dit voor ingenieurs een actief lidmaatschap van één of meerdere ingenieursverenigingen. Voorbeelden bij uitstek zijn hier IEEE, ACM, AIS, IFIP en nog vele anderen. Het valt op hoe weinig hogescholen en ingenieurs deelnemen aan de werking van die internationale groeperingen. Dit zijn nochtans omgevingen bij uitstek waar professionals  ten individuele titel internationaal kunnen optreden en aan uitwisseling doen in een ‘peer-to-peer’ omgeving. Zo vinden praktisch alle internationale (industriële) standaarden hun oorsprong in de samenspraak binnen deze groeperingen. Bovendien is elke aanvaardde standaard  een  uitdaging voor entrepreneurs. Een  actief lidmaatschap in één of meerdere van deze organisaties en in het kielzog daarvan de diverse werkgroepen en standaardiseringgroepen, moet dus ook een parameter zijn van het academiseringsproces van de hogescholen.

De echte entrepreneur vindt de juiste onderzoeksvragen daar hij in eerste instantie ten dienste staat van zijn klanten en in tweede instantie ook van de ruimere gemeenschap van stakeholders (aandeelhouders, klanten, personeel, leveranciers, overheid, en gemeenschap). Hij streeft hierbij echter geen monopolistische verhouding met hen na. Hij zoekt ook geen semimonopolie markt of kapitaalsbescherming door de staat. In principe bepalen enkel zijn klanten de hoogte van de vergoeding voor zijn producten of diensten. De KMO levert wel een duurzamere bijdrage tot het economisch bestel van het land en onze regio. Het is duidelijk dat de meerderheid van de grote beursgenoteerde ondernemingen deze grondregels niet (kunnen) hanteren. In de eerste plaats omwille van de verplichtingen van het management ten aanzien van de aandeelhouders. In extremis dwingen deze het management tot korte termijn resultaten. Een eenduidige relatie met de stakeholders is hierbij dan ook ver te zoeken. De succesvolle entrepreneur slaagt hierbij om de tegenstelling tussen de korte termijn of puur operationele en de lange termijn of strategische doelstellingen te overbruggen. Er zijn voorbeelden van uitzonderlijke professionele leiders die grote bedrijven uitbouwden en hierin over langere periodes van weinig opbrengst toch het vertrouwen van hun beheerders en aandeelhouders wisten te behouden denken we maar aan Dr Paul Jansens  van Jansens Pharmaceutica, Alfred Sloan van GM en Steve Jobs van Apple.

Per definitie kent de echte entrepreneur ook geen grenzen; de wereld is zijn domein, want echt vernieuwende producten worden niet tegengehouden door grenzen, invoerbeperkingen noch politieke regimes. In die zin zijn KMO’s vaak even internationaal gericht als multinationale bedrijven. Men moet de internationalisatie van een onderneming niet meten aan haar internationale aanwezigheid met fabrieken of filialen, doch wel aan de verspreiding van haar producten en kennis en vooral hoe ze er in slaagt op een economische manier met anderen internationaal samen te werken.

Het formuleren van onderzoeksvragen is ons inziens dus geen exclusiviteit voor grote bedrijven noch voor universiteiten. Bovendien neemt de KMO als onderzoeksobject zelf in alle disciplines toe, omwille van haar opnieuw toenemend maatschappelijk belang.

 

Stelling 2: de (industriële) hogescholen moeten de eerste aanspreekpunten zijn voor de regionale KMO’s

Door hun industriële missie staan de hogescholen met een departement IWT permanent open voor vragen vanuit het industrieel werkveld. Een bedrijf moet kunnen aankloppen bij een hogeschool met een probleem. Het gaat hier om veel meer dan de valorisatie van het eigen onderzoek bijvoorbeeld onder de vorm van spin-offs of het verlenen van top-down licenties aan bedrijven.

Men kan het ook een ‘industriële accreditatie’ noemen; de reputatie van de hogeschool in industriële middens moet dan ook een prioritair criterium voor beoordeling van de (toegepast) onderzoeksgerichtheid van de hogeschool zijn. Met industrieel werkveld bedoelen we in de eerste instantie de regionale KMO’s, waarbij de regio samenvalt met het belangrijkste rekruteringveld van de studenten.

Bij deze willen we alvast een aantal indicatoren opsommen die voor een industriële accreditatie van een hogeschool kunnen gebruikt worden: opmaken van een databank met ondernemingen gelieerd aan de hogeschool, de graad van interactie van elk lid van het onderwijzend personeel met de industrie, het aantal gastprofessoren uit de industrie, verstrekken van avond- en weekendonderwijs en de certificatie van labo’s.

Het is belangrijk dat de hogescholen ook daarom hun alumninetwerk sterk uitbouwen en laten functioneren als hefboom om de link naar de bedrijven te verstevigen.

 

Stelling 3: er is een groot tekort aan ingenieurs en de hogescholen staan dichter bij de mogelijke kandidaten.

Het te kort aan ingenieurs is geen nieuw probleem, doch thans meer dan ooit acuut. Tussen 1995 en 2005 halveerde de instroom van het aantal ingenieursstudenten in Vlaanderen. Een van de oorzaken is het toenemende individualisme waardoor jongeren minder kiezen voor een carrière in de industrie waar men per definitie samen moet werken met anderen, zelf verantwoordelijkheid moet nemen en ook in alle omstandigheden zijn engagement moet nakomen. Er is meer interesse voor risicoloze overheidsfuncties of lucratievere financiële of commerciële functies. Samen met de immer stijgende (ecologische en politieke) kosten van de grondstoffen en industriële producten leidt dit onherroepelijk naar een collectieve verarming.

Om het wat plastisch uit te drukken: een ingenieur moet bereid zijn de ‘handen vuil te maken’. En in de echte industriële bedrijven gaat dit samen bouwen met materie gepaard met een directe sociale cohesie van hoog tot laag. Er is een tekort aan KMO initiatieven en bovendien gaat de bureaucratische en financiële aandacht veel te veel naar grote ondernemingen die minder tot engagement en vakkennis aanzetten en die hun activiteiten al te gemakkelijk naar de lage loon landen verplaatsen. De grote naamloze ondernemingen zijn niet echt geïnteresseerd in een lokaal sociaal draagvlak en de daarbij horende interacties met hogescholen.

KMO’s ziijn per definitie lokaal ingebed, met meestal streekverbondenheid van de leider/entrepreneur.  Door hun laagdrempeligheid zijn de hogescholen zelf beter bereikbaar voor de jongeren in alle takken van het middelbaar onderwijs. Het aantal (industriële) ingenieurs zal niet vermeerderen door meer scholen te maken, doch wel doordat sommige bestaande meer bekend worden als ‘centers of excellence’. De gemakkelijkheidoplossing van een gewone ‘inkanteling’ – zonder verandering van de missie-, van de departementen IWT van de hogescholen in een universiteit, zal er daarom niet toe bijdragen om het aantal kandidaten te vermeerderen.

Hoewel we oog hebben voor de Europese consensus ten aanzien van een 5-jarige master lijkt het ons onzinnig om de discussies rond 4 of 5 jaar opleiding te herleiden tot een kwestie van financies of van competitie met de universiteiten. De discussie moet daarentegen gevoerd worden rond de versterking en de aantrekkelijkheid van de school als dusdanig, en specifiek rond haar betere interactie met de industrie waardoor alle studenten industriële ervaring kunnen opdoen. Het is de moeite om dit debat nu, op vier jaar van 2013, dringend concreet te voeren en mogelijke scenario’s te ontwikkelen tot en met ‘5 jaar’ scenario’s (met onder andere een verplichte begeleidende stage in de industrie).

 

Stelling 4: er is een afkalving van het industriële weefsel bezig in onze contreien

De huidige diepe crisis toont hoever de reële economie opgeofferd werd aan de pseudotoegevoegde waarde van de virtuele (financiële) economie. In het algemeen is er door de lange periode van stijgende welvaart en meer recent door afbouw van onze traditionele westerse ‘social fabric’ te weinig verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van onze technostructuur, die toch mee de basis vormt van onze geordende democratische en sociale instellingen. Ingenieurs zijn de eerste makers en ondersteuners van deze technostructuur en van haar permanente vernieuwing, en de bewakers  van de technologie in de brede zin van het woord.  Het is duidelijk dat een verzwakking van de aandacht voor het industriële een verzwakking meebrengt voor de (industriële) hogescholen en specifiek voor de ‘harde’ richtingen, zoals mechanica, chemie, elektronica en elektrotechniek. Het is daarom ook belangrijk te blijven spreken over het industrieel onderzoek als deel van het algemenere toegepast wetenschappelijk onderzoek in plaats van toegepaste ingenieurswetenschappen.

De algemene culturele vorming in het gezin, op school, op het werk (de gratuïteit en het plichtsbesef), in de religie en de filosofie, in het vrijwilligerswerk en in de politiek, zijn bepalend voor de basishouding van mensen in het algemeen en voor de houding tegenover arbeid of de arbeidsethiek in het bijzonder. Wil men zich binden? Wil men samen ‘met materie werken’ in de ‘verwerkende nijverheid’? Wil men nog samen ‘kathedralen’ bouwen? Draagt men samen een visie op de ‘werkende mens’? Kan men werkgemeenschappen opbouwen?  Blijft men de positieve kanten en kansen zien van de globalisatie, ook in tijden van een wereldcrisis?

De mensen maken zich met reden zorgen over de delocalisatie. En inderdaad het is op lange termijn onverstandig de verantwoordelijkheid voor ontwerp en productie te scheiden, en deze laatste door derden te laten uitvoeren in de zogenaamde lage-loonlanden. Dergelijke constructies remmen automatisch de innovatie (en dus ook de verantwoordelijkheid tegen over de klanten) af. Omgekeerd is het ook verkeerd een toekomst te bouwen op logistiek en op zuivere montagefabrieken, zoals de immer weerkerende drama’s in de autosector ons keer op keer aantonen. Het is bovendien totaal onethisch om een beheersverantwoordelijkheid uit te oefenen in landen waar geen normale arbeidsrechten bestaan; geen vakbondsvrijheid is, geen vrijheid van vereniging en geen persvrijheid. En ja.. dus niet investeren in China. Een echte ondernemer tracht inspirerend leiding te geven aan medewerkers die zich verbonden voelen binnen één ondernemingsvisie; wanneer een deel van de werknemers minder rechten hebben, brengt men cynisme, wantrouwen en leugen in de onderneming.

De verdeling van de publieke budgetten voor wetenschappelijk onderzoek in een democratische maatschappij vloeit logischer wijze voort uit politieke beslissingen. De hiërarchische volgorde daarbij is: waarden, politiek, cultuur, economie, bedrijven. Het komt er altijd op aan te werken aan globaal aanvaarde waarden rondom een maatschappelijk ordening zowel op gebied van  mensenrechten, politiek, cultuur en economie maar ook op het gebied van ondernemen. De industrie schept de grootste toegevoegde waarde door producten die een rechtstreekse impact hebben op de kwaliteit en de efficiency van de menselijke technostructuur. En een klein aantal bedrijven hebben sinds lang ingezien dat duurzame ontwikkeling betekent: het openlijk in kaart brengen van hun impact op de duurzame ontwikkeling. Die ‘groene economie’ zou daarom wel eens de echte antwoorden kunnen bieden op de huidige crisis.

Dit alles is zeker niet in tegenstelling met de stelling dat in onze Westerse wereld het belang van diensten gekoppeld aan innovatie en servitisatie ook steeds belangrijker wordt. Onze klassieke productiemiddelen moeten opgetild worden en verfijnd door steeds meer know-how. Knowhow is bovendien sterk verbonden met enterpreneurship en innovatie (Audresch). Het impliceert ook de kennis om een nieuw concept of product te vermarkten. Vrije toegang tot informatie is hiervoor essentieel. Kennis steunt op het verwerken van informatie in de mens zelf en de communicatie van mens tot mens. Deze informatie wordt  zichtbaar gemaakt door het verwerken van de onderliggende data. Dit laatste proces is  de ruime toepassing van de informatie en communicatietechnologie (ICT). Het inzetten van ICT is daarom een noodzakelijke (doch op zichzelf niet voldoende!) voorwaarde voor duurzame ontwikkeling. Alvast positief is de toenemende interesse voor open source software (OSS). We zien het fenomeen van OSS als een voorwaarde voor duurzame ontwikkeling en innovatie in het bijzonder voor KMO’s.

Ons bestaande industriële weefsel is daarbij van cruciaal belang en noodzakelijk om als voedingsbodem te fungeren voor nieuwe initiatieven tot ondernemen. Het is dus belangrijk dat er een voldoende industriële component blijft in onze contreien.

Conclusies

De departementen industriële wetenschappen van de Vlaamse hogescholen staan voor belangrijke veranderingen. De inkanteling van de masteropleidingen naar de universiteiten  wordt een belangrijk moment waarbij alle betrokken actoren zich ernstig dienen over te bezinnen. De modaliteiten van deze operatie kan niet alleen door de universiteiten worden bepaald. In samenspraak met het industriële werkveld en de associaties moet er een brede discussie gevoerd worden. De hogescholen zullen bij dit proces duidelijk de grootste veranderingen ondergaan, en  moeten daarom met behoud van hun eigen identiteit en profilering een duidelijk tegengewicht bieden.

De door de universiteiten voorgestelde meetsleutel voor academisering, waarbij de nadruk eenzijdig op wetenschappelijke publicaties komt te liggen voldoet (nog) niet aan de indicatoren die essentieel zijn voor de industriële missie van de hogescholen. Er moet dringend gewerkt worden aan vormen van ‘industriële accreditatie’. Dit is meteen ook een pleidooi aan de hogescholen om daarin duidelijke stelling in te nemen.

We menen dat we door onze stellingen te poneren we een aanzet gegeven hebben voor een diepgaande bezinning en open debat over deze problematiek.

Advertisements

About jangdevos
I'm an IT/IS professor, a late Baby Boomer, married with Ann and father of Hélène and Willem, a Stones fan and interested in almost everything. I work at the UGent (campus Kortrijk), Belgium. My research domain are: IT Governance in SMEs, IT/IS Security, IT Management, IT Project Management, IT Trends and IT/IS failures.

One Response to Quo Vadis Industrieel Ingenieur ?

  1. Uitgebreide post, zeer uitgebreid.
    Als student industrieel ingenieur hoop ik enkel op meer studenten, en liegst vrouwelijke. Ik denk dat we nu nog niet eens aan 10% komen. Dit zal ook het imago positief beinvloeden.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: